Door : Jana Meussen-Derksen

Toen de oorlog in 1940 begon, woonde ik met mijn ouders op de hoek, waar de huidige Teelebeekstraat het Heiveld kruist. Mijn vader was Wim Derksen (Wevers Wim) en hij was in de Eerste Wereldoorlog soldaat in het Nederlandse leger geweest. Hij had gelukkig niet hoeven te vechten, omdat Nederland toen neutraal bleef. In 1924 is hij getrouwd met Marie van de Leuvert uit de Looi, die op de plek woonde waar nu Old Inn is gevestigd. Zij is, net voordat de Tweede Wereldoorlog begon, in februari 1940 overleden. Mijn vader bleef met 5 jonge kinderen achter en hertrouwde in 1942 met Cis Jansen uit Heijen. Toen de oorlog begon was ik 7 jaar.

In de mobilisatietijd was over de huidige Teelebeekstraat een sleuf gegraven die als tankval moest dienen als de Duitsers ons land binnen zouden vallen. Uit die tijd weet ik nog dat we een keer naar Oeffelt zijn gaan kijken waar men kazematten aan het bouwen was om de vijand bij de Maas tegen te houden. De dagen voor de inval hadden we al wat gerommel gehoord in het wald. ’s Morgens vroeg op 10 mei riep vader: ‘Kom maar allemaal uit bed, want de mof is er al’. Er kwamen vanaf de Zwarteweg paarden met ruiters aan rijden. Daarachter soldaten die gebukt achter elkaar aan renden. Na de inval werd het al snel rustig en we hadden aanvankelijk niet zo heel veel last van de oorlog maar er waren wel beperkingen. Zo woonde in Asperden in Duitsland een zus van mijn moeder, waarvan we in feite gescheiden werden. We hebben nog wel enkele keren contact met hen gehad. We troffen ze dan ergens onder aan het Reichswald bij wat genoemd werd ‘Dorus zien baon’. Ik denk dat dit is geweest waar de Genneperweg vanuit Duitsland bij de Hondsiep in Nederland komt. Hoe zo’n afspraak tot stand kwam weet ik niet. We konden ook niet echt bij elkaar komen omdat de grens met prikkeldraad was afgezet. Met het hele gezin trokken we er met een mand vol boterhammen naar toe en gingen dan wat men later is gaan noemen picknicken. Iedereen moest wel in zijn eigen land blijven.

Ook herinner ik me nog dat er ’s avonds altijd verduisterd moest worden en dat politieman Van Kessel dat altijd met de fits kwam controleren. Op de Kerstenberg zijn een keer 3 bommen gevallen. Ze werden door de piloten naar beneden gegooid om sneller en hoger te kunnen vliegen om zodoende aan de schijnwerpers en het afweergeschut te kunnen ontsnappen. Twee bommen gingen eraf en eentje niet en dat was dus een zogenaamde blindganger. Ze veroorzaakten behoorlijke schade bij ons in de buurt. Later hebben we ook twee onderduikers gehad. De ene was een jood, hij heette Pieter van Aar en was dokter. De ander was journalist en heette Adriaan van Eijk. Ze werden gezocht en waren bij ons op de hooizolder ondergebracht. Ze hadden ook geheime zenders en kwamen alleen na acht uur ’s avonds naar beneden om eten te halen. Ze namen dan pap en boterhammen mee naar boven en kwamen daarna pas weer de volgende avond naar beneden. Alles moest natuurlijk geheim gehouden worden. Ons werd dan ook maar heel weinig verteld en kinderen uit de buurt mochten niet meer bij ons spelen. Het laatste dat ik ervan weet is dat er in een nacht op de deur werd geklopt en dat ze toen meteen naar een andere plaats moesten. Welke dat was werd ons natuurlijk niet verteld. Na de oorlog hebben we er nooit meer iets van gehoord. Maar de echte ellende begon uiteraard pas in september 1944 toen het grote geweld losbrak. Vader had al enkele keren gemerkt dat er ’s nachts Engelse soldaten op verkenning waren geweest. We kregen ook inkwartiering, het waren in het begin jonge Duitse soldaten die aan het front moesten gaan vechten. ’s Morgens gingen ze zingend weg. Zwaargehavend en gewond kwam een gedeelte dan ’s avonds terug en werd er bij ons op de deel een noodhospitaaltje ingericht. Aanvankelijk werd onze eigen kelder als schuilkelder gebruikt en vervolgens werd bij die van buurman Dries Wientjens ingetrokken omdat dat een oude kelder was met een gewelf en die was veiliger. Maar vader vond het daar echter te onrustig en we vertrokken weer naar huis. Maar dat duurde niet lang want de Duitsers vorderden ons huis om de staf erin te vestigen en toen ging het weer terug naar Wientjens. Vader mocht alleen nog in huis komen om het vee te voeren. Na een tijdje was de staf ineens weer vertrokken en wij namen we weer vlug de intrek in ons eigen huis. Maar vervolgens bleek dat de staf blijkbaar niet zonder reden was vertrokken.

Terwijl wij zaten te eten kwamen er vliegtuigen van over de Maas, cirkelden boven onze woning en gooiden bommen. Iedereen vloog de kelder in en ik onder de tafel. Ik hoorde vader toen vanuit de kelder roepen: “Ons zus is er nie” en hij kroop weer de kelder uit om mij te zoeken. Hij heeft me toen liggend de kelder ingetrokken. Ons huis liep behoorlijke schade op, er zat een groot gat in. Blijkbaar was er verraden dat de staf in onze woning zat en heeft men geprobeerde die te liquideren. Maar we bleven allemaal ongedeerd en ik hoor ons Mia daarna nog zeggen: ‘‘Onze Lieve heer heeft ons gelukkig gespaard, blijkbaar wil hij ons nog niet’’. Het bleken woorden van haar die wij nooit vergeten zijn.

Een dag later werd er een dochtertje geboren bij meester Hendrickx en Mia werd gevraagd om te komen helpen. Vader wilde eigenlijk niet hebben dat ze ernaartoe ging want hij vond het te gevaarlijk. Nadat ze vader beloofd had hard te zullen rennen en dat ze meteen naar huis zou komen mocht ze uiteindelijk toch gaan. Maar even later begon de zorg toen we vanuit Milsbeek van alles hoorden. Op een gegeven moment zagen we dat pastoor Hoefnagels op ons aan kwam gelopen. Vader zei ‘daar heb je het al’ en liep samen met mijn broer Antoon de pastoor tegemoet. Hij liep hem voorbij in de richting van het dorp. In ons huis aangekomen zei de pastoor dat Mia al dood was. Samen met alle slachtoffers is Mia vervolgens begraven. Alle kisten stonden op een rij. Het graf van Mia is er nog steeds.

Korte tijd later moesten we gaan evacueren. Samen met buurman Dries Wientjens en andere mensen uit de buurt zijn we vertrokken. Hoenselaar wilde eigenlijk niet mee en is nog terug geweest om de kippen te voeren. Maar hij kwam snel terug en zei: ‘Ze hangen al op de draad’. We zijn eerst in Ven-Zelderheide geweest en hebben vervolgens in Kalkar overnacht in een ruimte waar Russen hadden gelegen. Het was er erg vies en alles zat vol met vlooien en luizen. De stoet werd door militairen op paarden in bedwang gehouden. De Duitsers die we op de route in de regio ontmoetten waren vol medelijden, goedwillend en bereid om te helpen. Wat opviel toen we in Gendringen aankwamen was dat de Nederlanders minder gastvrij waren. Via Ede en Bunnik zijn we uiteindelijk in Werkhoven terechtgekomen. Wij waren met 6 personen en dat waren er eigenlijk twee te veel en Antoon en ik zouden naar een ander adres moeten. Maar vader stond erop dat ik bij het gezin bleef want hij zei: ‘‘Ik heb al een kind afgegeven en deze blijft bij mij’’ en zijn eis werd ingewilligd.

Voordat het vrijgegeven was en zonder dat vader het wist is mijn broer Antoon vanuit Werkhoven in Milsbeek gaan kijken. In Nijmegen stond toevallig een kennis, Pauwke Thonen uit de Looi en zodoende mocht hij er door richting Milsbeek. Ons huis moet er nog gestaan hebben zoals we het in oktober hadden verlaten maar het was wel grotendeels leeggehaald. Op de terugweg liepen we elkaar mis en wij troffen de boerderij vervolgens in puin aan. Toen Antoon later weer thuiskwam keek hij zijn ogen uit om wat er in enkele dagen was veranderd. Later hebben we vernomen dat een aannemer het huis had verwoest om de materialen voor het herstel van een andere woning te kunnen gebruiken. Het varkenshuis was wel nog redelijk intact en dit werd aanvankelijk door ons als noodbehuizing gebruikt. Van nieuw materiaal werd vervolgens een echte noodwoning gebouwd. Later, toen er een nieuwe boerderij was gebouwd met behulp van de wederopbouw, hielden wij nog vele jaren lang varkens in de noodwoning.

‘Jana bouwde samen met haar inmiddels overleden man Bertus Meussen op het uiteinde van de huisakker richting Langstraat in 1961 een eigen woning en woont daar nog steeds. Toen haar vader en moeder naar een bejaardenwoning in het dorp vertrokken, werd het wederopbouwboerderijtje met de omliggende grond verkocht aan aannemingsbedrijf De Haan voor de uitbreiding van ons dorp. Het boerderijtje zelf werd uiteindelijk verbouwd tot dubbel woonhuis en het voormalige woongedeelte wordt anno 2011 bewoond door Jan en Ineke Wagelmans.’

   
© Stichting CultuurBehoud Milsbeek - http://www.cultuurbehoudmilsbeek.nl